Cicero

Matsuo Bashō besluit de laatste twee jaar van zijn leven een nieuwe richting in te slaan. Al die aandacht van beroemd zijn, acht hij niet goed voor zijn poëzie. Hij sluit zijn poort af met dagbloemen, een klimplant van de familie der Convolvulaceae. Hij slaat een andere richting in met zijn dichten. Het gaat er nu om lichtheid te beschrijven en te werken vanuit volstrekt vrijstaan, los zijn van alles. Zelfs zijn trouwste leerlingen laten hem nu links liggen. Hoe aangenaam. Zonder enige kennis van de Japanse denkwijze en de taal valt al weinig te maken van zijn werk, nu helemaal. Vertalen is een aan de haren meeslepen naar eigen grond. Misschien is zelfs lezen dat al, zo leerde Emil Cioran. Ik ga alles wat ik gelezen heb opnieuw lezen.

De poes heeft sinds kort haar etensbak in de keuken staan. Anders voeden we alle katten uit heel Tibau. Er blijft nu genoeg in haar bak om de hele dag te eten, ook de volgende morgen. Elke oplossing veroorzaakt problemen. Hoewel ze makkelijk bij haar volle bak kan komen, weigert ze dat, springt op mijn werktafel en gaat op mijn toetsenbord zitten. Eerst moet ik zoals voorheen de keukendeuren openschuiven. Ze blijft dan buiten zitten, de blik naar binnen gericht. Dan pak ik nog wat kattenvoer. Nu staat ze op en loopt mauwend naast me naar haar bak. Ik gooi wat kattenvoer in haar bak en ze begint te eten. Heel even maar, dan loopt ze weg en gaat slapen in de ochtendzon. Als ik aan mijn werktafel sta te werken, ligt ze aan mijn voeten te slapen. Als de poes zou kunnen spreken, zou ik me niet herkennen in haar verhaal.

Cicero weet vlak voor zijn dood te melden dat onze dromen ons al in het hiernamaals laten zijn. Aan Attica schrijft hij over zijn laatste twee jaar: “Ik schrijf van vroeg tot laat.” Volgens Zhuang Zi is er geen verschil tussen droom en dag. ‘s Nachts droom ik van de dingen die ik gedaan zou hebben als ik er overdag tijd voor had gehad. Ik zit samen met Peter in de barretjes van Phnom Penn en schilder hele zolderzalen vol. Zou Cicero omgebracht zijn omdat hij onzin schreef, die laatste 2 jaar van zijn leven? Meestal is dat omdat je iets te zeggen hebt. Mooi al die uitzonderingen.

Sla dicht.

de zee ruist
de zee ruist efemeer
de zee ruist evenzeer
de zee ruist eeuwig

Met haar ruisende wind
slaan deuren wijdopen
nieuwe worden weer gedicht.

de zee ruist
de zee ruist achteloos
de zee ruist anders
de zee ruist aangedacht.

Van Zon en Maan

Tot slot.

Men kijkt maar zelden op. Wat is er toch met ons, dat we hem en haar zo zelden zien, dat ze niet meer opvallen? Alleen bij dichters uit verre landen lees ik over hen. Romantische naturen misbruiken haar of hem voor hun veroveringsritueel, maar hebben ze hen wel aangezien? Wie verlangt er nog naar het land waar hemel en aarde samenkomen, dat je kunt zien als je naar het einder staart? Is hun vertoog niet een vertoog van echte liefde?

Schrijft Ryokan niet:

Achtergelaten
door de dief is tenminste
de maan bij mijn venster

En Basho

De maan is er wel,
maar toch schijnt ze afwezig:
zomer te Suma.

Men dient voor het lezen van deze tekst, zelf te dwalen door eigen tuin en omhoog te kijken. Over de fenomenen die je zelf niet gezien het, dien je te zwijgen. Overdag naar hem en in de avond naar haar. En valt het je dan niet op, ze zijn er zo vaak samen. Wie zal zeggen, wie wie volgt? Ik wist dat nooit, totdat ik omhoogkeek, net zomin dat ik wist dat ze steeds weer ergens anders opduikt.

En tot slot de grootste onder hen: Po-Tsju-i de banneling.

De avondzon is roder dan een brand,
De klare lucht is van het diepste blauw.
Tot wilde dieren vormen zich de wolken
en als een boog verschijnt de nieuwe maan.

Dwaal door uw tuin en kijk omhoog, alleen dan wordt het binnenste verlicht. Vermoed ik. Het regent in het paradijs.

7. Valt het u niet op
ze verschijnt weer
al is het alsof ze zich
blijft verschuilen
sikkelend
uit welk duister
keerde ze weer,
de maan. Nu het regent
brullen de kikkers weer
richt alles zich op
ontstijgt naar groener
maar zij, joh, ze speelt
dit spel al heel lang
lees ik bij alle dichters
het is haar aard, zeggen ze
was ik maar bij de maan van Basho
samen met hem en Ryuukan
luisterend naar Bai Juyi.
6. Valt het u niet op
gisteravond moest ik haar
zoeken, -zij
verschijnt steeds
op een andere plek -
de maan. de zon was al achter de kim
bleek - ik maakte me grote zorgen,
waar is ze nou? -
de kasjoeboom stond in de weg
onbewogen in de wind 
staat de kasjoeboom te wezen
tak voor tak op haar gericht
hoe doe-tie da-toch
al weer 60 jaar
zelfs de maan gebruikt hem
soms als kamerscherm.
5. Valt het u niet op
de vogels kwinkeleren
als hij net verschijnt en
zij verbleekt
terwijl ze samen zijn,
De zon als hij hoog
alleen staat 
verheven, zwijgen zij
in vele talen
dan, als hij de zon
weer te kimme
schijnt, kabalen ze
dat horen
en zien je vergaat
terwijl hij zich tempert
aan zijn kim
in avondlicht.
4. Valt het u niet op
dat hij wachtend op
haar laat verschijnen
om dan in zijn hopeloosheid
haar te doen verbleken
de zon? Zou hij op zijn noen
branden van zuivere jaloezie
alleen alles tot zwijgen
verzengend?
Gaat hij daarna naar haar op zoek
Als door een vurig
verlangen gedreven?
Neemt dan de hitte niet af
verzacht zijn licht niet tot zuivere
kleuren?
3. Valt het u ook niet op
gisterennacht was ze weg
en ook vannacht is ze
in geen velden of op wegen
te bekennen aan het span,
de maan. Ze doet dat vaker
zegt men, het is de eerste
keer dat ik haar zo mis.
Het is meer donker dan
normaal, de sterren schijnen
helder, ik dwaal door
onze tuin misschien dan toch
achter daquele coquiro?
nee.
2. Valt het u niet op
Een wolkendek
Schoof tussen ons
en het hemelblauw
licht verspreidt zich,
De regentijd
keert eeuwig weer
zoals hij de wolken 
opriep zo hing hij
dit kamerscherm,
de zon. Een wolkendek
Schoof tussen ons
en het hemelblauw
licht verspreidt zich,
Alles verzachtert.
1. Valt het u niet op
In de nacht zingen de krekels
waar de vogels zwijgen
overdag zingen de vogels
waar de krekels zich onthouden.
Het is alsof er een andere zender
wordt op gezet. Opeens slaan
alle krekels aan slaat radio
vogel af en zwijgt
is het zijn of haar licht?
boze tongen beweren dat het
altijd zijn licht is. Weten zij veel.
Schrijft Marusaki Shikibu niet
“Nu stonden er toch tranen in haar ogen,
het vertederde hem.”
In de nacht bezocht mij een krekel
met een poot. 
Inleiding

Naarmate de avond valt
wordt ons woord alleen nog
aan dichteren besteed
die tegen ondergaande zon
en opklimmende maan
met het lengen van de
schaduwen nog gevoelig zijn
voor de vraag of onze
schaduw verlengt naar
de ander of verlangt
om op te lossen in
duisternis.
Als beide even weg zijn.
Wij vuurvliegjes.
Vannacht lag er een
dovend
voor mijn deur.