Ingang

Ingang

Je gaat eerst naar het dorp Tibau do Sul achttien kilometer van de hoofdweg waar zelfs hippies hun neus voor optrekken. Vergane glorie die nooit glorie was. Dan ga je een straat in waar armoe troef is. Dan ga je een pad op tussen twee huizen en dan achter alle huizen kom je bij de ingang van ons huis. Het pad is omringd door ruïnes, bouwsels die niet zijn afgebouwd, een vervallen paardenstal. Een grote haag met bomen en planten en bougainvillea onttrekt het huis aan het zicht. Je moet door een klein houten en onooglijk deurtje. En dan, dan kom je in een paradijs. De geluiden van vogels, het ruizen in de bomen, uitzicht op oceaan en lagune en duinen, de kleuren van de bloemen.

Zoals land en zee gescheiden zijn.
Sta jij aan land en ben ik de zee.
Zul jij ooit de diepte van de zee betreden?
Hoe zal het gaan als ik aan land ga?

Reizen

Matsuo Bashō laat zich op zijn reizen ook leiden door de Zhuang Zi. Een boek dat door meester Zhuang geschreven is rond driehonderd voor onze jaartelling. Zhuang predikt het doelloos en zorgeloos zwerven. Veel verhalen uit de Zhuang Zi leven voort in ons onderbewuste verhalenreservoir. Toen ik de frase ‘doelloos en zorgeloos zwerven’ las, moest ik denken aan een verhaal van de Argentijnse schrijver Louis Borges. Het is een relaas over een bol die zich in een kelder onder de trap bevindt in het huis van een middelmatig dichter. In de bol is het hele universum gereflecteerd en in een oogopslag te zien. Ik meende me te herinneren dat het verhaal de Zephyr heet, zo had ik dat opgeslagen op een winderige dag. Ik zocht het op op internet. Daar kwam ik wel het verhaal de Zahir van Borges tegen. In een commentaar las ik dat de Zahir het tegenovergestelde was van de Aleph. De Aleph blijkt de naam van het verhaal, ik had het me verkeerd herinnerd. Ik realiseerde me dat vrijwel alle werken van Ernest Hemmingway verslagen zijn van reizen. The sun also rises. In de reisverslagen van Matsuo Bashō vallen duizend jaar literaire geschiedenis en de tocht langs de utamakura, legendarisch plekken, samen. De toenmalige regeerder zag erop toe dat al deze plekken herinnerd zouden blijven.

Als je gaat reizen,
zit dan stil
doelloos dolend.

Onbedoeld
zonder jezelf
mee te nemen.

De bougainvillea staat in bloei.

Geleid als een
blad, verloren, gestoken
door wind noch ruizen.

Weinigen horen
haar roep, nog minder
geven haar gehoor.

Tuin

Onbeheerde natuur omzoomt onze tuin. De tuin eindigt in een klif van twintig meter hoog aan de lagune. Eb en vloed hebben hier vrij spel evenals de dolfijnen. Twintig jaar geleden graasden er paarden op dit stuk land. Daarvoor was het een boomgaard met cashewbomen en papajaplanten. Onze tuin werd jaren niet onderhouden. Een grote Cashewboom steekt zijn zwarte stam scheef omhoog. Natuur verandert onze tuin met geduld. 

Ik zie dat groei veel verandert. Een muur breekt in tweeën en valt om terwijl er een boom langs groeit. Alle bomen zijn immens gegroeid en ontnemen veel uitzicht. Het grasveld staat vol met jongelingen als spruiten van dezelfde bomen en planten. Binnenkort is het grasveld ook een bos. Termieten nestelen zich in de bomen en op de houten hekken. Enorme nesten. Ze zouden de tuin op willen eten, denk ik. Mieren leven in een onbekende symbiose met de termieten. De ene plant overgroeit de andere plant. Schaduw die ontstaat, laat het gras en planten verdwijnen. Regen en de wind vermolmen het slecht onderhouden hout van het pad. Metaal verdwijnt in vocht en roest. Zo wordt een gecultiveerde tuin met geduld een nieuw voorwerp van schoonheid. 

De oude bewoners van Gabon waren in staat om achtduizend soorten planten te onderscheiden en daarbij van de planten te weten welke werking ze al dan niet hadden. De Navajo indianen kenden er vijfhonderd, aldus Claude Lévi Strauss in Het wilde denken. Als ik met onze tuinman Luciano door onze tuin loop, geeft hij mij de duizend namen van de planten. Ik weet niet of ik hem kan horen. Hij heeft groene ogen. Gelukkig hadden wij Linnaeus. 

De wind komt op in de morgen, de kruinen
van de bomen laten zich bewegen.
In de middag is alles bladstil.
Het regent bij vlagen. 
Windstilte overheerst, maar nooit helemaal. Het
is het lot van mensen te denken dat 
ze gelijk hebben.

Muze

Er staat in vijf potten op ons terras een plant die recht omhoogsteekt met zijn bladeren en ombeurten een roodgele kelk geeft. Na enkele dagen verwelkt de bloem, een nieuwe verschijnt dra. Ik kon het niet laten onze tuinman te vragen hoe deze plant heet. Hij heet a planta bananeira de salão. In het Nederlands kamerplant.  Het bleek dat een verscheidenheid aan planten in onze tuin zo heet. Ik ben blij dat ik het niet weet.

Louis Couperus verhaalt dat hij in 1922 in Japan een heilige plek wil bezoeken. Zijn gids vraagt de abt of deze toerist dit diepste van het allerdiepste mag komen bekijken. De abt vraagt op zijn beurt de gids of deze toerist met aanbevelingsbrieven van de hoogste gezagsbekleders dit Zeer Eerwaardige Diepste van het Allerdiepste komt bekijken of vereren. “De eerbiedwaardige toerist komt, vrees ik,” zo sprak de gids, “alleen maar kijken.” “Dan kan hij ook het Zeer Eerwaardige Diepste van het Allerdiepste niet zien,” is het antwoord van de abt, zo verhaalt Louis Couperus: “Wij moeten het dus stellen zonder diep te willen doordringen…” zo noteert Louis Couperus.

Wij zijn opgegroeid met het beeld van de engel als man. En dus hebben al veel mannen in de nacht met de engel gevochten om slechts geraakt te worden in hun dij. In de Hagoromo wordt verhaald hoe te Miho-no-Matsuwara het verlangen in de wereld komt. De naakt badende Engel is hier een vrouw en de visser geen aartsvader. Zij danst voor hem om haar kleren terug te krijgen. De bomen, bewogen, bevriezen tijdens de dans haar beweging. Daarna stijgt zij weer naar de hemel op om nooit meer aan de visser te verschijnen. De berg Fuji staat er roerloos bij. De visser blijft achter met niet meer dan een herinnering.

Het is goed om een muze te hebben
die jou afwijst, en waar je over fascineert
dat er diep van binnen een antwoord is.
Hoe meer hij zwijgt hoe dieper hij raakt.

Ouder worden

Matsuo Bashō werd vijftig jaar. Hij wordt vaak afgebeeld als een oude man. Jacques Perk werd tweeëntwintig jaar. Arthur Rimbaud werd zevenendertig jaar. Remco Campert is negentig jaar. Li Bai werd een-en-zestig. Arthur Rimbaud meent: Le poète se fait voyant par un long, immense et raisonné dérèglement de tous les sens. Hij is dan zeventien jaar. Dra hing hij zijn lier aan de wilgen zoals ballingen dat doen. Oplettende moderne geletterden kunnen hieruit opmaken dat er geen verband bestaat tussen langlevendheid en de bezigheid van het dichten. In deze tijden ziet men graag verbanden. En toch zullen ze nog eeuwen blijven leven. Aan het woord ‘worden’, wordt vaak de gevoelswaarde van verschijnen toegedicht. Hier blijkt het een verscheiden. De leef-tijd verschijnt aan ons en wij verscheiden.

Toen we een maand geleden in ons huis introkken, stonden op het terras veel planten er treurig bij. Vier potten met dezelfde plant spanden de kroon. Er was alleen nog een wit skelet over in een chaos van takjes. Ik vroeg de tuinman of ze dood waren. “Nee ze zijn alleen heel oud,” zei hij, “muitas velhas.” Hij verving een deel van de aarde in de potten en knipte de dode en zieke takjes weg. Langzaam en gestaag werden de planten weer oases van groen in oude potten. Het begon met bijna onzichtbaar kleine blaadjes. De takjes blijven lijkbleek.

In November word ik zestig. Dat heet oud. Ik kijk soms in de spiegel en zeg: “zo ziet oud eruit.” Als ik de kinderen een foto laat zien hoe ik eruitzag toen ik veertig was, herkennen ze me niet. Van de vier kwalen die men langzaam ontwikkelt heb ik er al twee. In deze moderne tijden valt dat reuze mee. Men maakt in onze cultuur zich dan graag wijs dat het einde nader is en men spreekt graag van de herfst. Voor mij moet de lente nog beginnen. Elke dag is een nieuw begin en als ik ga slapen, wil ik dat niet en kan ik niet wachten op de ochtend. Ik val vaak boven een boek in slaap. Ik deel de mening van veel vrienden niet die vinden dat het nu wel genoeg is geweest. In vergelijk met de leef-tijd van de aarde ben ik nog absurd jong. Net genoeg geleefd om te kunnen vermoeden dat niets zeker lijkt. Als ik bedenk wat ik nog te doen heb, merk ik dat elk leven te kort is om echt ergens aan te beginnen. Ik moet denken aan het Kaiseki restaurant Kinmata in de Gokomachi dori in Kyoto. Een zwervend bestaan en niets doen is het hoogst haalbare.

Een bosduif ziet toe op wat ik schrijf, zittend op de rand van mijn beeldscherm.

Matsuo Bashō 

zijn

waren

en

dus

maar

ge

getallen

moet

je

Bananenplant

Bananenplant

Bashō betekent bananenboom, de naam die Matsuo Chūemon Munefusa aannam als hij in zijn huis in Tokyo in de wijk Fukugawa gaat wonen. Naast zijn huis planten zijn vrienden een bananenplant. Hij voelt zich verwant met de plant. Als hij na negen jaar reizen weer een huis krijgt in Tokyo, wordt zijn bananenplant hier naartoe verplant, zodat hij vijf bananenbomen heeft om in elke schaduw te kunnen vertoeven. Hij schrijft daar een haibun over. Ook wij hebben een bananenplant voor ons huis, bij de ingang. 

Goethe schrijft in twee delen de Faust. Ongeveer honderd jaar nadat Matsuo Bashō schrijft en werkt. Het eerste deel schrijft Goethe als hij begin twintig is. Het is het verhaal van de verleiding en misbruik van Margarete en de moord op haar broer, moeder en hun kind en daarop haar verlossing. Het algemeen bekende verhaal. Het wordt de oer Faust genoemd. Het tweede deel levert Goethe bij zijn uitgever in als hij eenentachtig jaar is. Vlak voor het ter ziele gaan van de auteur. Hij heeft er zijn hele leven aan gewerkt. Het tweede deel gaat over een strijdvraag tussen de Hemel, Mefistofeles en Faust. Faust weet zijn ziel te redden door zelfstandig gelukkig te worden, zonder de hulp van Mefistofeles.

ENGEL:
Gerettet ist das edle Glied
Der Geisterwelt vom Bösen,
Wer immer strebend sich bemüht,
Den können wir erlösen.

Dit tweede toneelstuk is veel dikker en minder bekend.

Net als de Faust bestaat de Zhuang Zi uit twee delen. De innerlijke en de uiterlijke. In vorm weliswaar in een andere volgorde dan de Faust, maar in wezen in vorm hetzelfde. Ook is het eerste deel veel korter dan het tweede deel in beide gevallen. De Zhuang Zi werd rond driehonderd voor onze jaartelling geschreven door meester Zhuang. De oer Zhuang Zi is een onderzoek naar het nut van het nutteloze en een tegendraad tegen de oproep tot braafheid en gehoorzaamheid zoals gepredikt in de Tao Te Tjing. Het tweede deel zijn de geschriften van volgelingen die uitdiepten, herhaalden, toevoegden en de Zhuang Zi van accenten voorzagen. Faust roept op tot penitentie en braafheid. Matsuo Bashō is verzot op de Zhuang Zi. Dat de Faust en de Zhuang Zi overeenkomsten vertonen, is geheel in de geest van Zhuang Zi een aanwijzing dat het zoeken naar overeenkomsten nutteloos is. Toch is deze methode verheven tot wetenschappelijke methode in onze beschaving.

Van de bananenplant zijn minimaal 400 soorten. We weten niet welke Matsuo Bashō bij zijn huis had staan. De bananenplant is een rhizoom en daarmee een plant naar het hart van Gilles Deleuze. De bananenplant wordt in de moderne taxonomie opgedeeld in planten met eetbare en oneetbare bananen. Met die indeling lijken wij weer op inboorlingen van enige wildernis. Wij hebben een bananenplant met eetbare bananen staan. Zelf zegt Matsuo Bashō over zijn bananenbomen dat hij net zo wil worden als deze plant. “Hun nieuwe bladeren groeien dag aan dag, zoals in de leer van meester Chang Henchu…” Een commentator meldt dat de Chinese Chang Henchu in de dertiende eeuw voor onze jaartelling leeft. Chang Henchu hoopte dat zijn wijsheid zou toenemen zoals de bladeren van de bananenplant. Ook in die eeuwen al worden de bladeren door wind en regen in stukken gereten, zoals Bashō schrijft. Net zoals wij, reizigers door onze tijd, niet ongeschonden ons graf redden. 

Henchu zou een andere belettering kunnen zijn van het Japanse woord henzu, hetgeen verandering betekent. Een bananenplant bloeit maar een keer en sterft daarna af. De Rhizoom groeit tegelijkertijd iets verder weer op. De commentator heet Vos. Kitsune heeft negen staarten, misleid de mensen en vermomt zich als vrouw. Inari zorgt voor de rijst. De bananenboom van Bashō draagt geen vrucht zo valt te lezen, maar biedt wel schaduw. Bashō ziet ook zichzelf als van generlei nut. 

Al die romantiek, al die schone schijn,
al dat weten, al die vanzelf sprekende
gedichten, al die gedachten, al dat waar.

Gedichten als verdachte
gedachten, vergezichten op mijn blinde
muur. Men ontleent zijn gezag
aan dat wat men daarachter voor waar
nam.

Het azuur van de hemel raakt
het pruisisch blauw van de zee
de zon bleekt stukken wit,
in honderdduizend schakeringen. 

de zon bleekt strepen wit
evenals de koppen van
de golven.

Het regent.

The sun also rises.

De zon komt rond vijf uur in de morgen op en gaat ’s avonds weer rond zes uur in de avond onder. Het is twee keer dezelfde ervaring, de kleuren schakeren hetzelfde. Het zwart wordt grijs en verscheidt dan in blauw en groen en in de avond andersom. De sterren verbleken en de lucht wordt blauw en weerom andersom. De vogels zingen alleen bij zonsopgang en zonsondergang. Een eigenwijze vogel daargelaten is het in het aanschijn van de hete zon heel stil. Bewolkte dagen zijn interessant. Eb en vloed wisselen elkaar als golven vier keer per dag af. Gedurende het jaar stroomt in de ochtend het water rap de lagune binnen of uit, aan het eind van de ochtend weer uit of in. In het avondlicht stroomt het water de lagune uit of in. Ik kan uren naar de beweging van het water kijken. De tijd dat het water stilstaat is kort en daarmee bijzonder. De dolfijnen duiken met eb mee de lagune binnen, achter de vissen aan. Ze worden hier golvinhas genoemd.

One generation passeth away, and another generation cometh: but the earth abideth for ever. The sun also ariseth, and the sun goeth down, and hasteth to his place where he arose.

De maan schijnt in de nacht zacht wit met blauwe adertjes in een donkere lucht. De zon schijnt overdag helderwit in een blauwe lucht. Zoals Butchō dicht:

Nooit ofte nimmer
verandert aan de hemel
het maansilhouet,
dat duizend gezichten toont
door de wolken slierten.

Dat ik de sterren kan zien in de nacht komt omdat het licht van de zon dan weg is, valt me te binnen. De zon overheerste het zwakkere schijnsel van de sterren die groter zijn dan de zon. In de tuin is het donker genoeg zodat ik de Melkweg kan zien. Ik weet niet waar het idee vandaan komt dat de zon geel is. Ik kan ook niet in de zon kijken. Is witter dan wit een verschijnsel van het onbereikbare? Ook de maan is mij net iets te heftig. 

Mary Guy-Blaché maakt tussen 1896 en 1920 zevenhonderd films en al vroeg met synchroon geluid. Ze is baanbrekend voor de kunst van het maken van films. Nadat ze door alles wat mannelijk is, tegengewerkt is, gaat haar studio failliet en gaat ze terug naar Frankrijk, waar niemand meer geïnteresseerd is in haar talent. Ze schrijft kinderboeken om haar kinderen op te laten groeien. Haar films worden onder de naam van een man zoals een assistent uitgegeven. Op haar 83ste keert ze naar America terug om haar erfenis te salveren, het lukte haar niet, het meeste is weg. Pas recent komt er weer aandacht voor haar werk en worden er films teruggevonden. Jodie Foster spreekt een prachtige documentaire over deze reuzin in. Ze sterft blijmoedig en zonder wrok.

De tuinman plant planten die hier horen,
onbezorgd in de tuin.
De tuinman plant planten die hier niet horen,
verzorgd in potten en vazen.
Wanneer ik de taal oprek, vallen er gaten.